Blog

#CharlestonShooting: checking the whois, cache en web archive of the suspect’s website

Yesterday, the news broke that the Charleston church shooting suspect had set up a website containing photos of himself and a manifesto. It is clear that this website can be useful for journalists and researchers to gain insights in the thinking and doing of the shooter.

We summarize some of the basic techniques to analyze the website and to reveal some hidden data:

Checking the whois

The whois of a website provides information on who registered a website and when. Crucial info to assess the authenticity of a website and to find some details about the person of organisation behind a website.
Step 1: Go to a whois site, like domaintools and insert the url of the website, in this case lastrhodesian.com (important: this does not work with webpages that are hosted on a meta site like blogspot.com/yoursite. In this case, you can only check the whois of the mother site blogspot.com).
Step 2: Check the whois info and look for creation date and registrant information (name, address, phone, email, …).

If you notice that the whois details of the registrant are private or refer to a hosting company instead of an individual (which is the case for the website under study), you can try to check the whois history of a website in the hope that earlier versions of the whois information contain some extra data. In order to see this whois archive, you have to go for a free trial of 30 days, or subscribe for a pro account.

Step 3: Click on the whois history (see screenshot below) and check for earlier versions to see if there is any ‘new’ information. There appear to be four records with whois information of which the three most recent are made private. The oldest version (2015-02-09) however contains some public information and reveals the name, address, phone and email of the registrant (which is – probably – the suspect of the shooting).

Dylann_whois_history
Dylann_whois_history2
dylann_whois_anon2

Step 4: Now can you cross-platform check the name, address and email of the registrant (in google, social media platforms, …)

 

Checking the cache

Of course, as a journalist or researcher, you want to check the website itself. Problem: the website is offline. Luckily, Google crawls the web and takes snapshots of the websites as sort of a backup in case the current page is not available (or was taken offline). If you want to check the content of the lastrhodesian.com website that is offline, you should follow the next steps:

Step 1: Go to Google and insert: site:lastrhodesian.com. With this search term, you check for pages within this domain that are indexed by the search engine. One search result appears.

Step 2: Click on the arrow after the url-link and click on ‘in cache’. By doing so, the snapchat of the webpage containing his manifesto appears.

Dylann_site_cache

Step 3: This is important information, but still, you are a little bit frustrated because you know that the website also contained some photos, and this page seems not to be part of the cache history of Google. To find these photos, you have to check versions of the website in the web archive.

 

Checking the web archive

The Web archive (also known as the waybackmachine) is a great tool to find some old or even deleted versions of websites. It is quite entertaining to check old web pages of your own website of those of your news medium, but it can also be used as a research tool to reveal some important data that seems to be missing on a website. Like the photos in the cache of the website under study.

Step 1: Insert the url of the website you want to check and click on ‘browse history’.

Step 2: Check the dates of the versions of the website that are in the archive. Important: on one specific day, the website can have archived multiple versions. In the case of the suspect’s website, there seems to be only one date in the archive (june 20, not surprisingly the day the news broke). There are eight version on that day in the web archive. Just click on one of them and the website appears, with links that still work. Now you can click on text to see the ‘real’ webpage of the manifesto (the same page we found by checking Google’s cache history) and select photos to open a zip folder containing the disturbing photos.

Dylann_site_archive

Step 3: Now you can investigate the photos by doing for example reverse images searches (Google image search or Tineye) to check if these photos also appear on other websites (to find for example other websites of the suspect). To make sure that you don’t get news sites covering the news  of the shooting (and the fact that his website was found), you should change the data (by selecting search tools) and specify that you only want web pages that are older than June 20, the day the news broke.

 

Nieuws en getuigen van #sydneysiege op locatie zoeken

De gijzeling van enkele tientallen mensen in het Lindt Chocolat koffiehuis in Sydney domineert sinds enkele uren de internationale verslaggeving. Bij nieuwsfeiten zoals deze zijn nieuwsmedia en journalisten niet alleen op zoek naar nieuws, foto’s en video’s van op deze specifieke locatie, maar ook naar personen die zich daar in de buurt bevinden. Nieuws en ooggetuigen dus. En sociale media bieden hiervoor sinds enkele jaren een mooie aanvulling op de klassieke researchmethoden.

Het is onbegonnen werk om alle platformen en bijhorende zoekstrategieën op te lijsten (zoals Facebook Graph, Foursquare, forums en vele, vele andere), maar hieronder geef ik graag drie manieren op te zoeken naar nieuws en personen op een specifieke locatie.

1. Twitter

In het algemeen geldt dat als je op zoek wil gaan naar ooggetuigen, je zoekt op woorden die mensen gebruiken in een getuigenis die ze tweeten. Als je dus op zoek bent naar Nederlandstalige getuigen of landgenoten die zich in de regio van het nieuwsfeit bevinden, zoek je best op woorden als ‘hier’, ‘ik’, ‘wij’, ‘mijn’, … in combinatie met een woord of hashtag dat verwijst naar de specifieke locatie of gebeurtenis. Zoals <hier sydney> of <wij #sydneysiege>.

Bij deze zoektocht ga je er natuurlijk van uit dat men steeds de naam van het nieuwsfeit, de hashtag of de locatie vermeldt, wat niet altijd het geval is. Je wil bovendien tweets van op die specifieke locatie vinden, niet van ergens 25 kilometer verder. Hiervoor kan je gebruik maken van de geocode-functie binnen Twitter:

– je zoekt (via bijvoorbeeld Google Maps of Itouchmap) de longitude-latitude van de specifieke locatie op. In het geval van de gijzeling in het koffiehuis is dit -33.867992,151.211041

– Vervolgens geef je in de zoekbalk in Twitter de volgende zoekopdracht in: geocode:-33.867992,151.211041,1km Let op: gebruik geen spaties. Die 1 km bepaalt de straal waarin je zoekt, minder dan dit is op het eerste zicht niet mogelijk.

– Nog voor je op ‘zoek’ of ‘enter’ klikt, krijg je een uitrol-menu met een aantal accounts die Twitter associeert met die locatie. Dus bedrijven en organisaties in die buurt of personen die daar wonen, werken, leven en vaak vanop die locatie tweeten. Zo vinden we al snel het account van de lokale politie en verschillende lokale journalisten die over de zaak verslag uitbrengen.

– Klik je op ‘enter’, dan krijg je de tweets binnen die 1 km-straal op de locatie van het nieuwsfeit. In het menu links kan je bovendien op Photos selecteren, zodat je personen ter plaatse kan traceren aan de hand van de foto’s die ze op Twitter plaatsen.

2. Gramfeed

Foto’s zijn altijd handig als je een snel beeld wil krijgen op de situatie. Bovendien hebben ze het voordeel dat je via de auteur mandie foto’s aan ooggetuigen kan geraken. Als je specifiek op zoek wil gaan naar (recente) foto’s op de locatie van een nieuwsfeit, dan kom je al snel uit bij Instagram-foto’s. Je kan zoeken op hastag of trefwoord, maar er zijn ook platformen die het mogelijk maken om Instagram-foto’s op locatie te zoeken. Een handig platform vind ik Gramfeed.com. Nadat je je eerst ingelogd heb via een Instagram-account, kan je kiezen voor ‘visualize photos on map’. Je geeft een adres in en de foto’s in de buurt van die locatie verschijnen op je scherm.

Als je vervolgens op een foto klikt, heb je de keuze om naar de Instagram-pagina van de foto en de auteur te gaan zodat je de eventuele reacties op de foto kan bekijken of meer gegevens over de auteur kan bekijken. Je kan bovendien op deze manier ook op zoek gaan naar de eerste foto’s rond de gijzeling die Gramfeed gevonden heeft.

3. Location-based platformen

Er zijn uiteraard ook platformen die tweets, foto’s en video’s bundelen. Sommige platformen (zoals Geofeedia.com) zijn betalend, andere (zoals Jotpix.com en echosec.net) zijn dan weer (helemaal of voor een deel) gratis. Via onderstaand voorbeeld (printscreen van Echosec) kan je tweets en foto’s in de buurt van het koffiehuis oproepen. Zo kan je een zicht krijgen op wat er op die locatie allemaal gebeurt, en heb je ook de mogelijkheid om te achterhalen welke personen op dit moment in de buurt zijn.

 

Zoeken naar statusupdates (‘posts’) binnen Facebook

Voor de gebruikers van Facebook die hun taal bij instellingen op English US hebben gezet, was het al een tijdje duidelijk dat Facebook aan het experimenteren is met Facebook Graph Search, de nieuwe ‘zoekmachine’ van de sociale netwerksite. De grootste verandering is dat je via Facebook Graph kan zoeken via zinnen waarin je een aantal zoekcriteria vermeldt.

Voorbeeld:

Het is bovendien mogelijk om te zoeken naar likes die iemand ooit gegeven heeft op Facebook, zoals:

Maar Facebook kondigt vandaag dus nog iets nieuws aan. Op Search.fb.com staat te lezen dat er binnenkort ook op statusupdates kan gezocht worden, iets wat voorheen (binnen de Nederlandse Facebook, maar ook binnen Graph Search) niet mogelijk was. Slechts een klein percentage van de Graph Search gebruikers kon deze functie de voorbije 2 jaar uittesten. En ik was 1 van de gelukkigen. Ik kan jullie dus laten zien hoe het er naar alle waarschijnlijkheid zal uitzien om binnen Facebook naar statusupdates te zoeken.

Stap 1:

Verander je taal naar English US (via settings)

Stap 2:

Geef in de zoekbalk bovenaan een trefwoord in (vb. staking)

Stap 3:

Wacht tot je het logo van het vergrootglas ziet verschijnen in het suggestie-menu

Stap 4:

Klik op het vergrootglas en bekijk de resultaten

Stap 5:

Pas eventueel aan de rechterkant een aantal zoekfilters aan (zoals zoeken buiten je vriendenkring of zoeken op locatie, datum, enz.)

 

 

Let op: in principe kan je alleen zoeken naar statusupdates van de gebruikers die dit mogelijk hebben gemaakt. Met andere woorden: de statusupdates van iemand die zijn berichten heeft ingesteld op alleen zichtbaar voor het eigen netwerk, kan ik als niet-vriend niet doorzoeken. De openbare berichten zijn wél voor iedereen doorzoekbaar.

Deze extra dienst zal naar alle waarschijnlijkheid de volgende weken/maanden verder uitgerold worden binnen de Amerikaanse versie van Facebook. Wie weet zal het ook later beschikbaar zijn in andere talen.

Overigens, er zijn een aantal andere sites die het doorzoeken van (openbare) statusberichten op Facebook al langer mogelijk maakten, zoals Icerocket (kies rechtsboven de gele tab Facebook). Niet perfect, maar de moeite waard om het eens uit te proberen.

 

 

 

 

 

Reclame op basis van onze Whatsapp-berichten? Nog niet voor meteen (hoop ik).

Met de overname van Whatsapp door Facebook ontstaan er opnieuw heel wat vragen rond online privacy. Terechte vragen, want met deze overname is er opnieuw een deel van onze persoonlijke informatie in handen gekomen van een grote speler. Bezorgd zijn mag dus, maar paniek lijkt me niet nodig. Met een community van om en bij het miljard gebruikers kan je als bedrijf immers weinig verkeerd doen vooraleer het opgemerkt of zelf afgestraft wordt.

Motieven voor overname

De exacte reden waarom Facebook 16, uh…  19 miljard dollar betaalt voor Whatsapp zullen we misschien nooit weten, maar we kunnen er wel enkele bedenken:

– Whatsapp heeft puur kwantitatief gezien heel veel ‘klanten’. Ze zitten momenteel aan zo’n 450 miljoen gebruikers, en dat aantal is de voorbije maanden enorm snel gestegen. Men verwacht dat de app over een jaar of twee een miljard gebruikers zal tellen, ongeveer het aantal leden vandaag op Facebook. Om een jaar Whatsapp te gebruiken betaal je 1 euro, dus een overname levert Mark Zuckerberg heel wat betalende klanten op.

– Whatsapp heeft bovendien goede klanten, zeker vanuit het standpunt van Facebook. Hoewel er geen exacte cijfers bestaan over de gebruikersprofielen op Whatsapp, kunnen we aannemen dat het vooral jonge mensen zijn die de app als alternatief voor de klassieke sms gebruiken. En laat nu net de jongeren tussen 14 en 25 jaar een groep zijn waar Facebook het vandaag de dag moeilijk mee heeft. Door een overname van Whatsapp kan Facebook dus opnieuw een relatie aangaan met de tieners. Bovendien zijn Whatsapp-gebruikers erg actief: zo’n 75% van zij die de app op hun smartphone geïnstalleerd hebben, gebruikt het dagelijks, wat erg veel is in vergelijking met andere apps. Facebook krijgt er dus een heleboel jonge en actieve gebruikers bij.

– Ook het in huis halen van de know-how kan een motief zijn, bijvoorbeeld met het oog op een verdere uitbouw van de eigen messenger app. En door de overname van Whatsapp geven ze andere grote spelers als Google, Microsoft en Apple niet de kans om hun online imperium uit te breiden.

– Het gaat Facebook waarschijnlijk ook om de data afkomstig van de conversaties via Whatsapp. Akkoord, men gebruikt ook wel de Facebook chat of de Facebook messenger om privéberichten te versturen, maar voor real-time conversaties via de telefoon blijft sms’en en een gratis alternatief als Whatsapp toch wel handiger. Met de overname krijgt Facebook dus in principe inzage in de massale stroom aan berichtjes die men via Whatsapp verstuurt. Niet alleen de inhoud van deze berichten zijn interessant, het geeft ook een beter zicht op het netwerk van iemand. Zo heb ik een aantal mensen waarmee ik sms of Whatsapp die niet op Facebook zitten. Omdat Whatsapp bovendien gelinkt is aan een mobiel nummer, krijgt Facebook met de overname een half miljard mobiele nummers ter beschikking. Onnodig om te zeggen dat dit voor een bedrijf interessant kan zijn.

Verdere ontsluiting van persoonlijke data

Vooral het gebruik (of misbruik) van de inhoud van onze berichtjes doet de online community huiveren. Een verdere ontsluiting van onze persoonlijke data (demografische gegevens, statusupdates, foto’s, video en locatie- en netwerkgegevens via Facebook in combinatie met de berichten via Whatsapp) geeft Facebook heel wat inzicht in ons doen en laten. In principe stelt dit hen in staat om nog meer gerichte reclame op te stellen en die via Facebook ads of zelfs push-berichten op onze mobieltjes te versturen. In een mededeling vlak na de overname liet Whatsapp wel onmiddellijk weten dat het berichtenplatform reclamevrij zou blijven, iets wat ze altijd als basisprincipe vooropgesteld hebben. Maar geen reclame op Whatsapp belet Facebook natuurlijk niet om op basis van de data afkomstig van Whatsapp meer gerichte reclame op Facebook te plaatsen of erger nog, onze data aan externe bedrijven of overheden te verkopen. Hoe meer online diensten een speler in handen heeft, hoe meer persoonlijke data gekoppeld kan worden en hoe meer misbruik er van gemaakt kan worden. Toch denk ik dat het binnen de perken zal blijven. Ik lees hier en daar dat gerichte FB-reclame en doorverkoop van onze gegevens de enige manier zou zijn om de hoge overnameprijs te recupereren en aan de aandeelhouders te verantwoorden. Maar dan ga je volgens mij voorbij aan een mogelijk verdienmodel van Whatsapp en de macht van de online community.

Na 3-4 jaren terugverdiend?

Negentien miljard dollar is inderdaad erg veel geld. Maar het lijkt me niet onmogelijk om dit puur en alleen door middel van Whatsapp terug te verdienen. Nu betalen zo’n half miljard gebruikers 1 euro. Als we meegaan met de voorspellingen dat Whatsapp over enkele jaren een miljard gebruikers zal tellen, dan levert de app jaarlijks een miljard euro op. Stel nu dat het jaarlijkse bedrag in plaats van 1 euro 5 euro wordt, dan kan je met de app 5 miljard euro verdienen, en dat is de overnameprijs in principe na enkele jaren al terugverdiend. Een jaarabonnement van 5 euro zal waarschijnlijk niet veel mensen afschrikken, omdat het alternatief (de klassieke sms) jaarlijks zo’n 150 euro kost. De kans bestaat uiteraard dat men toch massaal overstapt naar andere gratis sms-diensten zoals Telegram of Viber, maar mensen zijn nu eenmaal gewoontedieren en Facebook rekent er misschien op dat dit ook bij Whatsapp het geval zal zijn. Ze hebben nu eindelijk een platform in handen waar gebruikers voor moeten betalen.

Winstmaximalisatie door misbruik gegevens?

Maar ok, Facebook is een beursgenoteerd bedrijf en heeft winstmaximalisatie als belangrijkste doel, zo luidt het. Daarom is het niet voldoende om de overnameprijs te recupereren via de jaarabonnementen, er moet mogelijks nog veel meer winst gemaakt worden. En dat kan dus via het linken van advertenties aan onze persoonlijke profielen en eventueel via het doorverkopen van onze gegevens aan externen. En dat is natuurlijk iets om over te waken. Iedereen weet dat Facebook nu reeds rekening houdt met persoonlijke gegevens van gebruikers om reclame persoonlijker, gerichter te maken. Zo stemmen ze reclame af op het socio-demografische profiel van de leden, en ze houden zelfs rekening met de surfgeschiedenis van de gebruiker zodat de kans groot is dat je reclame voor sportschoenen te zien krijgt als je ze even daarvoor in een webwinkel hebt aangeklikt. En nu zouden ze dus de inhoud van onze berichten via Whatsapp kunnen gebruiken zodat een gebruiker die een sms stuurt naar een vriend met de vraag waar ze die avond een stapje in de wereld gaan zetten even later op zijn Facebook reclame voor een discotheek in zijn regio zou zien verschijnen. In principe allemaal mogelijk, maar ik denk niet dat dat voor meteen is.

De kracht van protest

Facebook weet volgens mij ook wel dat dit (op dit moment) een brug te ver is en dat ze hiermee niet zomaar weg zullen geraken. In tegenstelling tot profielinformatie (geslacht, leeftijd, woonplaats) die je op Facebook ingeeft, gaat het bij Whatsapp-berichten om interpersoonlijke privéberichten, en dat ligt toch erg gevoelig. De vergelijking met het surfgedrag gaat ook niet helemaal op omdat iedereen ondertussen weet dat dit gebeurt en dat het vooral gaat om een registratie van welke sites je bezoekt en niet om de conversaties die je op deze platformen houdt. Net zoals bij sms en e-mail behoren de Whatsapp-berichten tot de privésfeer, en verwacht ik dat een eventueel misbruik hiervan tot hevige kritiek zal leiden. Facebook kan dan ook beter lessen trekken uit het verleden waaruit bleek dat de community heel wat invloed heeft en bepaalde privacy-ingrepen – die als te ingrijpend werden ingeschat – ongedaan kan maken. Zo werd in 2007 na massaal protest de Beacon-software, die Facebookgebruikers én geïnteresseerde bedrijven vertelde waar en wat iemand uit het netwerk online koopt, aangepast. En ook vorig jaar was er heel wat paniek toen Instagram (nota bene ook even daarvoor overgenomen door Facebook) de gebruikersvoorwaarden veranderde om zo persoonlijke info van de leden commercieel uit te buiten. Door de massale kritiek hierop nam Instagram gas terug en bleven grote misbruiken uit. Facebook is en blijft een bedrijf dat rekening zal moeten blijven houden met de wensen en problemen van haar leden. Het blijft voor hen dus balanceren op een dunne koord met aan de ene kant de drang naar winstmaximalisatie, en aan de andere kant het besef dat ze binnen de regels van het fatsoen moeten blijven omdat ze ander een golf van kritiek doen ontstaan waardoor ze even later hun ingreep ongedaan moeten maken. Kortom, ik zie het niet meteen gebeuren dat ik na een Whatsapp-bericht over Waasland-Beveren plots op mijn Facebook een advertentie over goedkope voetbalabonnementen zie verschijnen. Dat doen ze trouwens nu ook niet op basis van de gegevens die ze uit de Facebook Messenger kunnen halen. Het zou te doorzichtig zijn, en op dit moment nog op heel wat kritiek stuiten. Maar wat niet is, kan en zal waarschijnlijk nog wel komen, zo naïef mogen we ook niet zijn.

Invloed op informatie- en nieuwsaanbod

Maar waar ik me als gebruiker op dit moment eerder zorgen over maak, is de dominante positie die enkele bedrijven in de online wereld innemen en de bijhorende macht die ze hebben over wat we te zien krijgen en zelf kunnen verspreiden. Facebook, Google en Apple hanteren interne richtlijnen die bepalen welke content ongeoorloofd is en dus verwijderd of gecensureerd worden. Zo werd in het verleden de foto van een bebloede naakte Syrische peuter verwijderd van de Facebookpagina van De Morgen. Maar ook de foto van de cover van Nevermind van Nirvana (met de naakte baby in een zwembad) geraakte een tijdje niet door de strenge censuurfilter. En het bedrijf gebruikt bepaalde onduidelijke algoritmen om berichten te filteren en ze bovenaan of onderaan de plaatsen. Zelfs Apple, een bedrijf dat toch geroemd wordt omwille van zijn innovaties en een jong en hip imago heeft, hanteert interne richtlijnen die soms erg ver gaan. Zo censureerde iTunes een tijdje een boek van Naomi Klein dat de vagina uit de taboesfeer wilde halen. En van Google is al langer geweten dat bepaalde zoekopdrachten in bepaalde landen andere resultaten opleveren. Nu enkele grote spelers alsmaar meer platformen en diensten overnemen, rest de vraag op welke manier dit een invloed kan hebben op ons informatie- en nieuwsaanbod. En door de overname van Whatsapp mogelijks in de toekomst ook op onze persoonlijke communicatie.  Die kwestie lijkt me op dit moment minstens zo belangrijk dan de bezorgdheid omtrent gerichte reclame.

Hoe foto’s zoeken van Renate Jonkers en vermeende dader?

De voorbije dagen ging het in heel wat kranten over de start van het proces tegen enkele sekteleden. Zij zouden een van hun aanhangers, De Nederlandse Renate Jonkers, eind 2007 om het leven gebracht hebben tijdens een zogenaamde spirituele healing. Het slachtoffer en – de ondertussen overleden – hoofdverdachte verdienden in Antwerpen een beetje bij als levende standbeelden. Kranten en nieuwssites gebruikten sinds 2008 een foto van een levend standbeeld dat het slachtoffer moest voorstellen. Maar dat bleek een foute foto. Het ging namelijk om een echt standbeeld. Maar online zijn er wel heel wat foto’s te vinden van de vermoorde Nederlandse, en ook van de vermoedelijke dader. En zelfs foto’s waarop ze samen te zien zijn. Een overzicht.

Het was al bekend dat Renate Jonkers vooral optrad als Maria met kind. En dat de hoofdverdachte, Drazen Zabek geregeld in de huid van Antoon Van Dyck kroop. Hun schouwtoneel was de Antwerpse binnenstad. We gaan dus op zoek naar foto’s uit Antwerpen waarop levende standbeelden te zien zijn.

Ga naar Flickr.com en klik op explore. Vervolgens klik je op de wereldkaart en kan je inzoomen op een specifieke locatie. In dit geval dus Antwerpen, en meer bepaald omgeving kathedraal – Groenplaats – Keyserlei. Onderaan bij geotagged photos klik je op refresh en dan krijg je alle foto’s binnen die locatie waarvan de auteur de foto gekoppeld heeft aan een specifieke plaats (figuur 1). Dat levert heel wat foto’s op (+500), maar weinig levende standbeelden, en geen enkele van een Maria met kind of Antoon Van Dyck. Maar nogmaals, dit zijn alleen de foto’s waar een geotag aan toegevoegd is.

     Figuur 1: Geotagged items uit de Antwerpse binnenstad op Flickr.com

Maar op het beginscherm van Flickr kan je ook gewoon zoeken op trefwoord (rechts bovenaan). Geef hier bijvoorbeeld Antwerpen living statue in, en je krijgt heel wat foto’s van (levende) standbeelden in Antwerpen. Om iets makkelijker doorheen deze lijst te zoeken, kan je best  links bovenaan de filter relevantie veranderen in recent. In de nieuwe lijst, krijg je ergens naar onder toe verschillende foto’s uit de periode 2007, waaronder dus een aantal foto’s van (vermoedelijk Renate als) Maria + onbekende man met langer haar. Ze zijn samen een sigaretje aan het roken (foto 1). In diezelfde periode zijn er ook enkele foto’s van Antoon Van Dyck in volle actie (foto 2 + 3). In de lijst zie je plots ook de foto van Antoon Van Dyck opduiken die overal in de kranten en op nieuwssites gelinkt werd aan de vermoedelijke dader Drazen Zabek (foto 4). Maar als je de datum bekijkt waarop deze foto genomen is, dan zie je dat deze foto reeds dateert uit de zomer van ’98, zo’n 15 jaar geleden dus en negen jaar vroeger dan het tijdstip waarop de andere foto’s genomen werden. Raar dat die foto tussen de foto’s uit 2007 staat, maar toch lijkt de datum correct want ook de titel bij de foto maakt melding van 1998. Aangezien de verdachte volgens de krantenartikelen in 2008 45 jaar was, zou hij in 1998 dus 35 jaar geweest zijn. Moeilijk te zeggen op basis van die ene foto of er onder de schmink een 35-jarige man zit en of dit dezelfde man is als op de andere foto’s van 10 jaar later. Het kostuum lijkt alvast identiek.

 

Foto 1: Het slachtoffer Renate Jonkers als rokende Maria

Foto 2+3: de vermeende dader als Antoon Van Dyck


Foto 4: Een foto van de vermeende dader uit 1998

Je kunt natuurlijk ook meer dan 1 zoekopdracht gebruiken. Zo kan je variëren in gebruik van woorden en taal. De mooiste foto van Drazen Zabek als Antoon Van Dyck vonden we onder levend standbeeld Antwerpen. Deze zoekopdracht leverde heel wat minder resultaten op dan de Engelse zoekopdracht, maar wel een hele mooie close-up, met bovendien een interessante datum: 9 februari 2008, ongeveer vijf weken na de moord op Renate Jonkers (foto 5).

Foto 5: Close-up van de vermoedelijke dader ongeveer 1 maand na de moord

We kunnen deze close-up ook gebruiken om de foto uit 1998 mee te vergelijken:

Nog steeds moeilijk te zeggen of het om dezelfde persoon gaat. De linkse (uit 1998) lijkt ouder dan de rechtse uit 2008, terwijl het – mocht het om dezelfde persoon gaan – net omgekeerd zou moeten zijn. Ik vond ergens in een artikel terug dat Drazen in 1998 vanuit Joegoslavië naar Antwerpen kwam, dus het lijkt in die optiek wel logisch dat het om dezelfde persoon gaat.

Een zoekopdracht op mime Antwerpen leverde een foto van een lachende Antoon Van Dyck op, opnieuw uit de periode van de moord, namelijk 15 maart 2008 (foto 6).

Foto 6: Een lachende Antoon Van Dyck

Een zoekopdracht met mime Antwerp leverde nog enkele zeer interessante foto’s uit maart 2007 op, namelijk die van Antoon Van Dyck samen met … Maria (zie foto 7 + 8). De vermeende dader en slachtoffer in een en dezelfde foto dus.

Foto 7 + 8: Slachtoffer en dader op dezelfde foto

Ook op andere fotoplatformen vind je foto’s van Antoon Van Dyck en Maria, zie bijvoorbeeld onderstaande foto’s (9 + 10) die we op Picasa.com gevonden hebben (februari 2008).

 

Foto 9 + 10: Renate Jonkers als Maria op Picasa.com

De tijdsaanduidingen van bovenstaande foto’s lijken allemaal logisch in het licht van de feiten: in 2007 klopte Renate opnieuw aan bij Drazen en gingen ze opnieuw als levend standbeeld geld verdienen. Eind 2007 zou de moord gepleegd zijn, en sindsdien vinden we nergens nog foto’s terug van Maria, wel van Antoon Van Dyck (alleen). Na zijn arrestatie ergens in mei 2008 vinden we geen enkele foto terug van de bekende schilder.

Oh ja, de foto die verkeerdelijk gebruikt werd in de meeste van de artikelen rond de moord en arrestatie, verscheen voor het eerst op Flickr (foto 11). Deze foto vonden we via zoekopdracht statue Antwerp, en dateert van 13 juni 2002. Ondertussen weten we dat dit helemaal niet Renate is, maar wel een echt beeld.

Foto 11

Journalisten als unusual suspects

Vandaag brachten verschillende nieuwsmedia het verhaal over het stijgend aantal klachten over privacyschending door journalisten. Uit de gegevens van de Raad voor de Journalistiek blijkt dat meer dan de helft van alle klachten te maken heeft met een mogelijke inbreuk op de privacy. Waar vroeger de mensen blij waren dat ze met hun foto in de krant kwamen, zijn ze zich vandaag de dag meer bewust van de mogelijke gevaren, aldus Flip Voets, de ombudsman en secretaris-generaal van de Raad. Vandaag de dag kunnen journalisten dan ook via allerlei software ooggetuigen en experten opsporen. En dat vindt niet iedereen leuk. Uit de eerste resultaten van een onderzoek blijkt dat jongeren zich weldegelijk bewust zijn van het feit dat wat ze online doen en vertellen interessant kan zijn voor journalisten om te gebruiken bij een nieuwsartikel.

Ooggetuigen opsporen

Het stijgende aantal klachten over privacyschending door journalisten mag niemand verbazen. Mede door het internet en meer specifiek de sociale media is het voor journalisten een koud kunstje om bij elk nieuwsfeit persoonlijke verhalen en getuigenissen van ‘gewone’ mensen op te sporen. Zo is het als journalist perfect mogelijk om via Facebook een Nederlandstalige opvarende van de Costa Concordia te vinden, om via Twitter een Vlaming op te sporen die in de buurt van het eiland Utoya woont waar Anders Breivik even voordien jongeren koelbloedig vermoordde, of om via een blog een getuigenis van een Nederlandse student te lezen die klaagt over de hoge inschrijvingsgelden aan de Nederlandse universiteiten. Dit zijn relatief onschuldige zoekopdrachten en de meeste personen die je op basis hiervan vindt, zullen er geen graten in zien om de journalist te woord te staan.

Iets anders wordt het wanneer je via sociale media personen opspoort die liever niet opgevoerd willen worden als getuige of expert.  Denken we bijvoorbeeld aan de busramp in Sierre waar journalisten via sociale media foto’s vonden van de slachtoffertjes en die op de website en op de voorpagina’s van de kranten plaatsten. En wat doen we met een student die via Facebook getuigt dat hij die ochtend gespiekt heeft tijdens het examen politieke wetenschappen? Gebruik je als journalist die tweet bij een artikel over examenfraude? En wat doe je als journalist als je via een forum over druggebruik een getuigenis van een professor vindt waaruit blijkt dat die regelmatig aan de cocaïne zit? Gebruik je dit in een reportagereeks over druggebruik bij hoogopgeleiden? Of toch maar niet?

Specifieke software

Veel van deze getuigenissen gebeuren onbewust. Slechts zelden kom je een tweet of statusupdate tegen waaruit blijkt dat de persoon in kwestie de hoop heeft om – “interview mij! Ik heb alles gezien! Ik vertel je alles over mijn bedrog!” – als bron of getuige opgevoerd te worden. Een getuige of expert ben je meestal door wat je onbewust via sociale media laat weten. Gewoon door ergens via Facebook of Twitter aan te geven waar je je bevindt, wat je gezien hebt of wat je leuk vindt, maakt je in sommige gevallen al tot een ideale getuige. Of door gewoon in je Twitter bio of profielpagina je online identiteit wat vorm te geven. Er bestaan trouwens fantastische tools om op zoek te gaan naar user-generated content die je kan linken aan een nieuwsfeit, zelfs als die op het eerste zicht verborgen is voor de buitenwereld. Zo kan je via openstatussearch.com op zoek gaan naar statusupdates van personen die hun profiel op Facebook niet volledig hebben afgeschermd. En via seekatweet.com kan je tweets op een specifieke locatie opzoeken, handig wanneer je bijvoorbeeld iemand zoekt die zich tijdens de begrafenis van Margaret Thatcher in de buurt bevindt. Maar het kan nog straffer. Zo ben ik al enkele maanden in de ban van Geofeedia, een zoekplatform dat op basis van een eenvoudige zoekopdracht tweets, foto’s en video’s tot op de vierkante meter juist kan weergeven, en dit tot ver in de tijd. Zoek je dus iemand die enkele weken geleden in een bepaald café aanwezig was, dan lukt het je waarschijnlijk via Geofeedia. Hieronder zie je bijvoorbeeld wat een zoekopdracht naar de Oude Markt in Leuven oplevert.

Figuur 1: zoekopdracht Oude Markt Leuven op Geofeedia

Onbehaaglijk gevoel

Nogmaals, deze hulpmiddelen zijn niet per definitie ongeoorloofd. Heel vaak zal de journalist contact opnemen met de persoon, bijvoorbeeld om meer uitleg te vragen over het nieuwsfeit in kwestie, of gewoon om toestemming te vragen om een bepaalde statusupdate of tweet te gebruiken. Maar het valt te vrezen dat dit soms ook niet gebeurt, wanneer bijvoorbeeld de ooggetuige niet in staat is om te antwoorden (zoals bij het busongeval in Sierre), of wanneer de journalist vreest dat de persoon geen toestemming zal geven om de getuigenis te gebruiken (zoals bij de spiekende student). En zelfs al neemt de journalist contact op met de getuige, dan nog kan dit een onbehaaglijk gevoel geven, zoals blijkt uit onderstaand voorbeeld. Iemand getuigde dat haar neef een van de slachtoffers was van de shooting in Newton, waarop een journalist van NYT haar om een reactie vraagt. De community op Twitter liet onverbloemd haar ongenoegen blijken omwille van zoveel onbeleefdheid en gebrek aan tact. Hij was trouwens niet de enige journalist die in de uren na de schietpartij via Twitter en Facebook op zoek ging naar nabestaanden van slachtoffers of scholieren die de schietpartij overleefd hadden, zo blijkt uit dit artikel.

Figuur 2: Twitterconversatie naar aanleiding van schietpartij Newton

Richtlijn Raad voor de Journalistiek

Het is en blijft een moeilijke evenwichtsoefening. Sociale media bieden heel wat voordelen om snel de geschikte ooggetuige en expert te zoeken, maar tegelijk houdt het een risico in dat de privacy van de betrokkenen geschonden wordt, of dat alleen nog maar dat gevoel ontstaat. De extra richtlijn rond sociale media die in Vlaanderen in de nasleep van het busongeval in Sierre aan de deontologische code werd toegevoegd, is dan ook een eerste goede stap in de goede richting. Niet dat het een duidelijk en praktisch hanteerbaar antwoord geeft op wat je nu al dan niet mag doen (want wanneer dient men precies het maatschappelijk belang?), maar het maakt journalisten wel bewust van de gevaren. Het is alvast ook een van de thema’s die ik behandel wanneer ik met studenten en journalisten de mogelijkheden van sociale media als researchtool bespreek .

Onderzoek bij jongeren

Ook de gebruikers zelf lijken zich bewust te zijn van het feit dat journalisten interesse kunnen hebben in wat ze op sociale media vertellen en doen. Uit de voorlopige resultaten van een thesisonderzoek uitgevoerd door Eline Verdegem (master in journalistiek – KU Leuven / Thomas More Antwerpen) blijkt dat studenten de journalisten als een mogelijke bedreiging voor hun privacy zien. Uit de resultaten – die enkele weken geleden op het Youth 2.0 congres in Antwerpen werden gepresenteerd) bleken jongeren tussen 12 en 25 jaar niet alleen de typische actoren zoals criminelen, bedrijven, overheden en recruteerders als potentiële bedreigingen te percipiëren, maar ook de journalisten. Over de verschillende platformen heen komen journalisten in het rijtje van mogelijke overtreders op een vijfde plaats, na het platform/site zelf, de politie, bedrijven en – opvallend – de partner, maar wel boven criminelen, vrienden, werkgevers, pedofielen en leerkrachten. Ook op de vraag welke overtredingen kunnen voorkomen op de verschillende platformen, denken de jongeren vaak aan journalistiek misbruik. Onderstaande grafiek geeft de resultaten weer van Facebook en Twitter. Hieruit blijkt dat jongeren het gevoel hebben dat hun persoonlijke data vaak in het kader van journalistieke research misbruikt wordt, gemiddeld gezien zelfs vaker dan spam, virussen, fraude en (in het geval van Twitter) pedofilie. Verdere analyse moet uitwijzen of er verschillen zijn tussen leeftijdsgroepen, tussen mannen en vrouwen en tussen jongeren met veel of weinig digitale ervaring, en of er misschien sprake is van een Sierre-effect dat volgend jaar misschien al uitgewerkt is. Zowel het stijgend aantal klachten als de resultaten van het kleinschalige onderzoek, tonen de nood aan om gebruikers van sociale media verder bewust te maken van technieken om de online privacy te beschermen. Niet alleen tegen de typische online criminelen, maar ook tegen mogelijk misbruik door journalisten.

Figuur 3: Gepercipieerde overtredingen op Facebook en Twitter (N=322)

 

Weet iemand eigenlijk nog hoe het zit met foto’s op sociale media?

De veroordeling van The Washington Post en AFP wegens het onrechtmatig gebruik van een Twitter-nieuwsfoto toont nog maar eens aan dat er nood is aan duidelijke regels binnen sociale media.

Fotograaf Daniel Morel publiceerde op Twitter enkele foto’s van de ravage na de verwoestende aardbeving in Haïti in 2010. Persagentschap AFP zag deze foto’s en plaatste ze op Getty, een online fotodatabank waarop nieuwsmedia zich kunnen abonneren. The Washington Post publiceerde op haar beurt de foto’s in de krant. Beide nieuwsmedia worden nu dus veroordeeld. Sommigen vinden het een belachelijke uitspraak en argumenteren dat de fotograaf maar niet zo stom moest geweest zijn om zijn foto’s op Twitter te zetten. Anderen begrijpen de uitspraak en vinden het niet meer dan normaal dat de fotograaf vergoed wordt voor zijn professioneel werk. Men is het er wel over eens dat niemand eigenlijk precies weet wat nu wel of niet mag.

Redenen onduidelijkheid

Dat niemand weet hoe het precies zit met het gebruik van foto’s binnen sociale media is eigenlijk niet zo onlogisch. Ik zie verschillende redenen voor dit complexe probleem:

1. Vroeger was er een min of meer rechtstreekse lijn van de fotograaf naar het fotopersagentschap en zo naar de kranten. Vandaag de dag is het een complex proces geworden met meer tussenstappen en als gevolg ook meer belanghebbenden. Wanneer er zich breaking news ontwikkelt en er wordt een foto gemaakt die verspreid wordt binnen sociale media, heb je immers te maken met de maker van de foto (kan zowel  een professionele fotograaf als een burger zijn), het platform waarop de foto geplaatst wordt (zoals Instagram of Flickr), het platform dat gebruikt wordt om de foto viraal te verspreiden (zoals Twitter), eventueel de fotopersagentschappen of fotodatabanken die de foto overnemen, de journalisten die de foto willen gebruiken en de nieuwsmedia die de foto in de krant of op de site willen zetten. Hoe meer partijen betrokken zijn, hoe complexer de zaak wordt.

2. Waar het duidelijk is dat een professionele journalist geld wil verdienen met foto’s, is dat veel minder het geval bij de niet-beroepsfotografen. Nu meer en meer mensen een smartphone hebben en de technologieën beter en beter worden, zullen er hoogstwaarschijnlijk meer en meer foto’s van zogenaamde incidental journalists verspreid worden. Incidental journalists zijn mensen die toevallig op de plaats van een nieuwsfeit zijn en er met hun smartphone een foto van nemen en die op een sociaal platform gooien. Denken we maar aan de foto van @jkrums uit 2009 van de evacuatie van de passagiers uit het vliegtuig dat minuten daarvoor een noodlanding op de Hudson had gemaakt.  Zijn tweet met een link naar de foto op Twitpic werd meteen hot news en massaal geretweet. De foto werd meer dan 800.000 keer bekeken. En terwijl nieuwsmedia over de hele wereld zijn unieke foto op hun site plaatsten en in de krant lieten afdrukken, heeft hij hier geen dollar aan verdiend. Mede omdat hij zelf via Twitpic liet weten dat iedereen zijn foto mocht gebruiken. Om maar te zeggen dat niet iedereen geld wil verdienen met foto’s op sociale media.

3. Elk platform heeft een eigen, unieke gebruiksovereenkomst en men verwacht dat wie zich registreert deze ook grondig doorleest. Dit vraagt echter een (te) grote inspanning van de gebruiker, zeker wanneer je lid bent van verschillende platformen. Zo is men vaak niet voldoende op de hoogte van de verschillen tussen Facebook, Twitter en Instagram wat het gebruiksrecht betreft. Bovendien maken deze gebruiksovereenkomsten geen onderscheid tussen professionele en niet-professionele gebruikers. De regels lijken dezelfde te zijn, of je nu The Washington Post bent of een 16-jarige scholier die een foto nodig heeft voor een schooltaak. De vraag is ook of een gebruiksovereenkomst absoluut is, en dus meer waarde heeft dan de algemeen geldende auteursrechten. Zo liet Twitter in een reactie op de uitspraak van de rechter in New York weten dat leden van het platform zelf eigenaar blijven van de foto’s, maar dat nieuwsmedia ze mogen overnemen, op voorwaarde dat ze gebruik maken van de officiële embed-functie. Wat de nieuwsmedia in dit geval dus niet gedaan hebben. Merk ook op dat de rechter expliciet verwees naar de gebruiksovereenkomst op Twitter en enkele citaten hieruit in het vonnis heeft opgenomen als argument om de twee nieuwsmedia schuldig te verklaren. Twitter zelf bepaalt dus wat mag en niet mag en lijkt alvast in deze zaak minstens zo belangrijk te zijn als de algemeen geldende auteurswetgeving.

4. We hebben uit de discussie rond de nieuwe gebruiksovereenkomt van Instagram geleerd dat het bij auteursrechtelijke content niet alleen draait om eigendomsrecht, maar ook om het gebruiksrecht. Een fotograaf kan nog steeds het eigendomsrecht op de foto hebben, maar het gebruiksrecht (bewust of onbewust) overgedragen hebben aan het platform waarop de foto gepubliceerd werd. Bovendien speelt ook het portretrecht nog een rol. En hoe zit het nu ook alweer met het fotograferen van beroemde gebouwen waarop een beeldrecht rust, zoals het Atomium en de Erasmusbrug?  Je moet al bijna een juridisch expert zijn om deze rechten te begrijpen en te kunnen toepassen. En de meeste gebruikers zijn dat niet.

5. De vraag is ook of de gebruikersvoorwaarden en eventuele auteursrechten op sociale media content niet haaks staan op het karakter ervan. Het zijn mondiale platformen waardoor een foto in enkele seconden van België naar Amerika of Australië ‘reist’ en mogelijks telkens onder een andere auteursrechtovereenkomst valt. Sociale media laten zich bovendien moeilijk regelen, precies door het publieke maar tegelijk individuele karakter. Foto’s worden in sneltempo gedeeld zodat het moeilijk te controleren valt waar ze zich bevinden en wie de (onrechtmatige) verspreiding in gang heeft gezet. Tegelijk hebben de gebruikers een persoonlijke, emotionele band met hun profielpagina’s, online vrienden en online content, waardoor ze het gevoel kunnen hebben dat het een eigen ‘private social media sphere’ is waar zij zelf invulling aan geven, waar ze het voor het zeggen hebben en waar dus niemand moet komen zeggen wat mag en niet mag, wat bijvoorbeeld ook blijkt uit het feit dat voor vele jonge gebruikers geldt dat het aanvaarden van ouders als vriend op Facebook nogal moeilijk ligt.

Oplossing?

Een eenduidige oplossing voor dit complexe probleem lijkt me dus niet meteen voor morgen. We mogen immers niet vergeten dat platformen als Twitter en Facebook in internettermen nog steeds in volle puberteit of jongvolwassenheid zitten. We mogen echter niet dezelfde fout maken als de muziekindustrie en denken dat alles wel zal normaliseren naarmate de jaren verstrijken. Er is sinds het opdoeken van Napster inderdaad al veel gebeurd om de uitwisseling van digitale muziekbestanden te reglementeren en in een verdienmodel te gieten. Maar zolang er bijvoorbeeld Torrent-netwerken bestaan die het mogelijk maken om kosteloos muziek te downloaden, blijven het enkele druppels op een hete plaat. Alle hoop op de volwassenheid van sociale media zetten, is dus misschien iets te naïef. Hier en daar wordt er gesproken over de nood aan een uniforme, internationale regel of richtlijn die de verspreiding, het gebruik en aankoop van foto’s via sociale media moet reglementeren, los van de specifieke gebruiksovereenkomsten op elk platform afzonderlijk.

Ik zie meer nut in een systeem waarbij je aan de maker van de foto individueel de keuze laat om te bepalen of hij al dan niet betaald wil worden wanneer een journalist of persagentschap de foto wil overnemen. Op verschillende blogs wordt er gedroomd van een systeem waarmee je via een embedded feature op het platform een kleine vergoeding kan vragen. Een extra knopje in je tweet of op je profielpagina dus dat geïnteresseerde media of bedrijven moeten aanklikken waarna ze de micro-betaling uitvoeren. Het zou er tenminste voor zorgen dat een fotograaf duidelijk aangeeft dat hij niet wil dat zijn foto zomaar overgenomen wordt. Nu heb je immers niet echt de mogelijkheid om dat aan te geven, tenzij je het er in je tweet expliciet bijschrijft, maar dit lijkt in het licht van de gebruiksovereenkomst dan weer geen enkele juridische waarde te hebben.

Foap

Misschien moeten we er zelfs van uit gaan dat Twitter openbaar is en moet blijven, en dat het zich dus simpelweg niet leent tot het verhandelen van foto’s. En dat men zich beter naar andere platformen richt wanneer men foto’s op een rechtmatige manier wil kopen of verkopen. Rechtstreeks naar Getty Images bijvoorbeeld. Misschien bieden ook specifieke foto-apps een oplossing. Zo is er het Zweeds Foap dat onder het motto “turn your iPhone photos into dollars” het mogelijk maakt om foto’s te verkopen. Als maker zet je je foto rechtstreeks van je smartphone in de app, je zegt dat die 10 dollar moet kosten en je verkoopt de foto aan geïnteresseerde nieuwsmedia of bedrijven. De helft van de opbrengst is voor jou, de andere helft voor de bedenkers van de app. Dit lijkt alvast een stap in de goede richting. Al kan er – naar analogie met de betaalmuren voor nieuwssites – gevreesd worden dat zo lang er gratis foto’s te vinden zijn op Twitter en Instagram, men niet echt zal staan springen om voor een (amateur)foto te betalen. En tot zo lang zullen we dus geconfronteerd blijven met klachten en rechtszaken.

 

 

Het nepgehalte van @MathildeDacoz

Vanmiddag viel mijn oog op een tweet van @Bram_VDP waaruit bleek dat prinses Mathilde een account op twitter zou aangemaakt hebben*.

Onder @MathildeDacoz  zou de prinses sinds maandagnamiddag haar opinies de wereld insturen. Zou, want de kans is erg groot dat het om een nepaccount gaat.**

 

Ook in 2013 heeft men blijkbaar niet genoeg van ‘doen alsof’ en kruipen wolven in een virtuele schapenvacht. Het is niet altijd eenvoudig om snel door te hebben om het al dan niet om een nepaccount gaat, maar er zijn toch enkele aanwijzingen die je als vriend, journalist, fan, advocaat, politie of belastingscontroleur kunnen helpen bij het beoordelen van de authenticiteit van een Twitter-account.

In het geval van @MathildeDacoz lijkt het mij om een nepaccount te gaan, en wel hierom:

Logisch denken. Je kan je de vraag stellen of het aannemelijk is dat prinses Mathilde zou tweeten. Het antwoord is nee. Het is niet logisch dat zij op een middag beslist om haar mening op Twitter te gaan verkondigen. Sinds bekend werd dat ze met onze toekomstige koning zou huwen, werd ze afgeschermd van de buitenwereld. En zij beslist dan zomaar op een blauwe maandag om actief te worden op Twitter, het openbare platform bij uitstek? Net in een week waarin het koningshuis opnieuw onder vuur ligt wegens de dotatie en precies op de dag dat er gespeculeerd wordt over het vermeende gephotoshop van haar verjaardagsfoto’s?  Mocht ze nu nog op Google + zitten, tot daar aan toe, maar op Twitter?

Buik(griep)gevoel. Ze verklaart in haar eerste tweet dat het haar dochter Elisabeth is die haar leert om te Twitteren. Mooi, maar wel vreemd, omdat de 12-jarige Elisabeth volgens dit artikel in september aan haar laatste jaar lagere school is begonnen en een maandagnamiddag volgens ons nog steeds een normale schooldag is. Of huist niet alleen in mijn gezin buikgriep en zit Elisabeth ziek op de schoot bij mama te Twitteren? Toch maar in bed, lijkt me.

– Ook haar bio ziet er niet echt prinsesjachtig uit. Ze noemt zichzelf een coole mama. Jaja. Alleen Michelle Obama kan dat op een geloofwaardige manier zeggen. En de mama van mijn eigen kinderen natuurlijk, maar die zit niet op Twitter. Mag ze niet van mij.

– Een blik op de gevolgde personen en volgers is ook steeds nuttig en in dit geval vernietigend voor de geloofwaardigheid van het account. Zo zien we dat ze zelf op dit moment 86 mensen volgt, waaronder vooral Vlamingen. Zonder in een communautaire discussie te vervallen: dit is niet erg logisch. Zo volgt ze bijvoorbeeld meer Vlaamse dan Waalse nieuwsmedia en journalisten. En de andere acounts die ze volgt, zijn allemaal zó bekend dat ze weer net iets te veel lijken op “laat ons snel wat bekende accounts volgen zodat we aan een redelijk aantal zitten”. Er staan amper mensen in haar lijst die ik niet ken, en dat is vreemd aangezien de prinses en ik toch twee aparte leefwerelden hebben, zowel persoonlijk als professioneel. Maar misschien wel de belangrijkste reden om te twijfelen aan de echtheid van dit account, is dat ze er voor heeft gekozen om als eerste een aantal doodgewone Vlaamse studenten te volgen. Sympathiek zou je kunnen zeggen, maar opnieuw niet echt logisch. Zeker niet als je ziet dat deze studenten allemaal in Antwerpen een opleiding advertising design volgen en elkaar kennen. Bovendien valt uit het getweet (zie screenshot) van een van die studenten af te lezen dat hij op zoek is naar een andere Twitternaam in het kader van een schoolproject en kan je dus spreken van een smoking gun. Vijf minuten nadat ik deze ‘toevalligheid’ had getweet, waren deze namen plots verdwenen uit het volgerslijstje van de prinses.

Zeker ben je nooit, maar je kan met een aantal eenvoudige denkoefeningen wel zo goed als mogelijk inschatten of een account al dan niet echt is. In dit geval was het dus duidelijk dat het om een nepaccount ging. Meestal – zoals in dit geval – is het niet zo belangrijk, maar soms kan het echt wel belangrijk zijn om zeer snel in te schatten of het om een authentiek account gaat. Denken we maar aan breaking news omtrent een overlijden van een belangrijk iemand, aan een politieke uitspraak of aan een tweet waarin iemand bedreigd wordt. Check en double check van tweets en bijhorende accountnaam is in dit geval uiteraard een absolute must en bovenstaande tips kunnen daarbij misschien helpen.

* Ook @Bram_VDP twijfelde van meet af aan aan de geloofwaardigheid van het account, laat dat duidelijk zijn.

** Tijdens het schrijven van dit bericht heeft Het Paleis al aan De Standaard laten weten dat Prinses Mathilde niet op Twitter zit en dat het dus om grappenmakers moet gaan. Haha.

 

Privacy settings on Instagram

By clicking on this link, you can hear an interview (In Dutch) I did for Radio 1 about the new privacy settings of the social photo platform Instagram.

Partycrashen, met of zonder Facebook

Het Facebook-feestje in het Nederlandse Haren is niet geheel onverwacht uit de hand gelopen. Facebook zelf en andere media worden met de vinger gewezen.

Ook in het pre-Facebook-tijdperk waren er al feestjes die compleet ontspoorden. Denken we maar aan Woodstock (1969) en het strandfeestje van DJ Fatboy Slim in het Engelse Brighton in juli 2002. Toen doken er in plaats van de verwachte 50.000 meer dan 250.000 dansliefhebbers op, met chaotische toestanden als gevolg. Dat het een recent fenomeen is en dat het alleen maar te maken heeft met Facebook, klopt dus niet.

Wel is de kans dat een feestje uit de hand loopt groter geworden. Sociale media werken immers als een megafoon die een kleinschalig evenement in sneltempo viraal kan maken, waardoor het in enkele uren miljoenen mensen bereikt. En dat is wat er afgelopen week in Nederland is gebeurd. Jongeren begonnen de openbare uitnodiging te verspreiden en riepen vrienden en kennissen op om op vrijdag naar Haren af te zakken om daar te gaan partycrashen. Op Facebook is zoiets snel beklonken, precies omdat iedereen met elkaar in verbinding staat.

Maar het evenement leefde niet alleen op Facebook. Ook traditionele nieuwsmedia berichtten in de week voordien veelvuldig over de ‘Facebook-party’ en maakten – al dan niet gewild – reclame om massaal naar het huis van het feestvarken af te zakken. Een dj van het Nederlandse radiostation 3FM riep via de radio letterlijk iedereen op om naar Haren af te zakken, iets waar hij zich achteraf trouwens voor verontschuldigde. Ook werden er posters en T-shirts gemaakt om niet-Facebookers te mobiliseren. Op de dag zelf waren tientallen kranten-, radio- en televisiejournalisten in Haren aanwezig, om toch maar niets van het feestje te moeten missen. Het foutje van het toen nog 15-jarige meisje was niet alleen op Facebook een hit.

De schuld van Facebook?

Maar de vraag is dus of Facebook schuld treft. Volgens enkele Nederlandse advocaten wel. Zij verwijzen naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 1965 die oordeelde dat een medewerker van een bekend frisdrankmerk verantwoordelijk was voor een ongeval, omdat hij het luik in een kroeg waar hij de drank leverde had laten openstaan. Een dronken caféganger viel door het keldergat en liep zware verwondingen op.

Naar analogie hiervan kan Facebook, zo argumenteren ze, juridisch verantwoordelijk gesteld worden wegens ‘gevaarzetting’. Het platform zou door de vereiste voorzichtigheid niet in acht te nemen ongevallen mogelijk hebben gemaakt.

Het is namelijk niet de eerste keer dat een aankondiging van een verjaardagsfeestje openbaar werd door te vergeten een privacy-instelling aan of uit te vinken. Wat we vrijdag in Haren zagen, was haast een kopie van verjaardagsfeestjes, sinds 2010, in Engeland, Duitsland en Australië. Ook daar gingen uitnodigingen van tieners in geen tijd viraal en kwamen uiteindelijk duizenden ongewenste bezoekers naar de feestjes.

De instellingen van Facebook?

Facebook had dus lessen kunnen en moeten trekken uit die precedenten en had maatregelen moeten nemen om dit te verkomen. Burgemeester Reinhold Gall van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg stelde na een soortgelijk Duits feestje zelfs dat platformen als Facebook de morele plicht hebben om grenzen te stellen aan het gebruik ervan.

Met andere woorden: het platform moet de settings zo instellen dat een bericht standaard ‘privé’ ingesteld is en pas op eigen initiatief openbaar kan worden gemaakt, in plaats van omgekeerd zoals het nu is. Soortgelijke ideeën leven al langer en circuleren sinds vrijdagnacht opnieuw op allerhande fora en sociale platformen.

Misschien moeten we inderdaad gebruikers van sociale media tegen zichzelf beschermen door de kans op een foute handeling zo klein mogelijk te maken. Al zal hiermee het probleem niet helemaal opgelost geraken. Er zal nog altijd de mogelijkheid bestaan uitnodigingen te kopiëren of na te maken. Door op Twitter plaats en tijd aan te geven kan een privéfeestje nog altijd snel openbaar en viraal worden.

Ook de jongeren zelf leren niet uit het verleden. Sinds enkele dagen circuleren er oproepen om het feestje van Haren over te doen op een andere locatie. Gouda zou deze keer de uitverkoren plaats worden. Met andere woorden: een aanpassing van de privacy-instellingen op Facebook kan misschien de kans op fouten verkleinen, maar meer ook niet. Jongeren die zin hebben om te partycrashen doen dat ook zonder foutief verstuurde uitnodigingen.

Dit artikel verscheen eerder op De Standaard.