Journalisten als unusual suspects

Vandaag brachten verschillende nieuwsmedia het verhaal over het stijgend aantal klachten over privacyschending door journalisten. Uit de gegevens van de Raad voor de Journalistiek blijkt dat meer dan de helft van alle klachten te maken heeft met een mogelijke inbreuk op de privacy. Waar vroeger de mensen blij waren dat ze met hun foto in de krant kwamen, zijn ze zich vandaag de dag meer bewust van de mogelijke gevaren, aldus Flip Voets, de ombudsman en secretaris-generaal van de Raad. Vandaag de dag kunnen journalisten dan ook via allerlei software ooggetuigen en experten opsporen. En dat vindt niet iedereen leuk. Uit de eerste resultaten van een onderzoek blijkt dat jongeren zich weldegelijk bewust zijn van het feit dat wat ze online doen en vertellen interessant kan zijn voor journalisten om te gebruiken bij een nieuwsartikel.

Ooggetuigen opsporen

Het stijgende aantal klachten over privacyschending door journalisten mag niemand verbazen. Mede door het internet en meer specifiek de sociale media is het voor journalisten een koud kunstje om bij elk nieuwsfeit persoonlijke verhalen en getuigenissen van ‘gewone’ mensen op te sporen. Zo is het als journalist perfect mogelijk om via Facebook een Nederlandstalige opvarende van de Costa Concordia te vinden, om via Twitter een Vlaming op te sporen die in de buurt van het eiland Utoya woont waar Anders Breivik even voordien jongeren koelbloedig vermoordde, of om via een blog een getuigenis van een Nederlandse student te lezen die klaagt over de hoge inschrijvingsgelden aan de Nederlandse universiteiten. Dit zijn relatief onschuldige zoekopdrachten en de meeste personen die je op basis hiervan vindt, zullen er geen graten in zien om de journalist te woord te staan.

Iets anders wordt het wanneer je via sociale media personen opspoort die liever niet opgevoerd willen worden als getuige of expert.  Denken we bijvoorbeeld aan de busramp in Sierre waar journalisten via sociale media foto’s vonden van de slachtoffertjes en die op de website en op de voorpagina’s van de kranten plaatsten. En wat doen we met een student die via Facebook getuigt dat hij die ochtend gespiekt heeft tijdens het examen politieke wetenschappen? Gebruik je als journalist die tweet bij een artikel over examenfraude? En wat doe je als journalist als je via een forum over druggebruik een getuigenis van een professor vindt waaruit blijkt dat die regelmatig aan de cocaïne zit? Gebruik je dit in een reportagereeks over druggebruik bij hoogopgeleiden? Of toch maar niet?

Specifieke software

Veel van deze getuigenissen gebeuren onbewust. Slechts zelden kom je een tweet of statusupdate tegen waaruit blijkt dat de persoon in kwestie de hoop heeft om – “interview mij! Ik heb alles gezien! Ik vertel je alles over mijn bedrog!” – als bron of getuige opgevoerd te worden. Een getuige of expert ben je meestal door wat je onbewust via sociale media laat weten. Gewoon door ergens via Facebook of Twitter aan te geven waar je je bevindt, wat je gezien hebt of wat je leuk vindt, maakt je in sommige gevallen al tot een ideale getuige. Of door gewoon in je Twitter bio of profielpagina je online identiteit wat vorm te geven. Er bestaan trouwens fantastische tools om op zoek te gaan naar user-generated content die je kan linken aan een nieuwsfeit, zelfs als die op het eerste zicht verborgen is voor de buitenwereld. Zo kan je via openstatussearch.com op zoek gaan naar statusupdates van personen die hun profiel op Facebook niet volledig hebben afgeschermd. En via seekatweet.com kan je tweets op een specifieke locatie opzoeken, handig wanneer je bijvoorbeeld iemand zoekt die zich tijdens de begrafenis van Margaret Thatcher in de buurt bevindt. Maar het kan nog straffer. Zo ben ik al enkele maanden in de ban van Geofeedia, een zoekplatform dat op basis van een eenvoudige zoekopdracht tweets, foto’s en video’s tot op de vierkante meter juist kan weergeven, en dit tot ver in de tijd. Zoek je dus iemand die enkele weken geleden in een bepaald café aanwezig was, dan lukt het je waarschijnlijk via Geofeedia. Hieronder zie je bijvoorbeeld wat een zoekopdracht naar de Oude Markt in Leuven oplevert.

Figuur 1: zoekopdracht Oude Markt Leuven op Geofeedia

Onbehaaglijk gevoel

Nogmaals, deze hulpmiddelen zijn niet per definitie ongeoorloofd. Heel vaak zal de journalist contact opnemen met de persoon, bijvoorbeeld om meer uitleg te vragen over het nieuwsfeit in kwestie, of gewoon om toestemming te vragen om een bepaalde statusupdate of tweet te gebruiken. Maar het valt te vrezen dat dit soms ook niet gebeurt, wanneer bijvoorbeeld de ooggetuige niet in staat is om te antwoorden (zoals bij het busongeval in Sierre), of wanneer de journalist vreest dat de persoon geen toestemming zal geven om de getuigenis te gebruiken (zoals bij de spiekende student). En zelfs al neemt de journalist contact op met de getuige, dan nog kan dit een onbehaaglijk gevoel geven, zoals blijkt uit onderstaand voorbeeld. Iemand getuigde dat haar neef een van de slachtoffers was van de shooting in Newton, waarop een journalist van NYT haar om een reactie vraagt. De community op Twitter liet onverbloemd haar ongenoegen blijken omwille van zoveel onbeleefdheid en gebrek aan tact. Hij was trouwens niet de enige journalist die in de uren na de schietpartij via Twitter en Facebook op zoek ging naar nabestaanden van slachtoffers of scholieren die de schietpartij overleefd hadden, zo blijkt uit dit artikel.

Figuur 2: Twitterconversatie naar aanleiding van schietpartij Newton

Richtlijn Raad voor de Journalistiek

Het is en blijft een moeilijke evenwichtsoefening. Sociale media bieden heel wat voordelen om snel de geschikte ooggetuige en expert te zoeken, maar tegelijk houdt het een risico in dat de privacy van de betrokkenen geschonden wordt, of dat alleen nog maar dat gevoel ontstaat. De extra richtlijn rond sociale media die in Vlaanderen in de nasleep van het busongeval in Sierre aan de deontologische code werd toegevoegd, is dan ook een eerste goede stap in de goede richting. Niet dat het een duidelijk en praktisch hanteerbaar antwoord geeft op wat je nu al dan niet mag doen (want wanneer dient men precies het maatschappelijk belang?), maar het maakt journalisten wel bewust van de gevaren. Het is alvast ook een van de thema’s die ik behandel wanneer ik met studenten en journalisten de mogelijkheden van sociale media als researchtool bespreek .

Onderzoek bij jongeren

Ook de gebruikers zelf lijken zich bewust te zijn van het feit dat journalisten interesse kunnen hebben in wat ze op sociale media vertellen en doen. Uit de voorlopige resultaten van een thesisonderzoek uitgevoerd door Eline Verdegem (master in journalistiek – KU Leuven / Thomas More Antwerpen) blijkt dat studenten de journalisten als een mogelijke bedreiging voor hun privacy zien. Uit de resultaten – die enkele weken geleden op het Youth 2.0 congres in Antwerpen werden gepresenteerd) bleken jongeren tussen 12 en 25 jaar niet alleen de typische actoren zoals criminelen, bedrijven, overheden en recruteerders als potentiële bedreigingen te percipiëren, maar ook de journalisten. Over de verschillende platformen heen komen journalisten in het rijtje van mogelijke overtreders op een vijfde plaats, na het platform/site zelf, de politie, bedrijven en – opvallend – de partner, maar wel boven criminelen, vrienden, werkgevers, pedofielen en leerkrachten. Ook op de vraag welke overtredingen kunnen voorkomen op de verschillende platformen, denken de jongeren vaak aan journalistiek misbruik. Onderstaande grafiek geeft de resultaten weer van Facebook en Twitter. Hieruit blijkt dat jongeren het gevoel hebben dat hun persoonlijke data vaak in het kader van journalistieke research misbruikt wordt, gemiddeld gezien zelfs vaker dan spam, virussen, fraude en (in het geval van Twitter) pedofilie. Verdere analyse moet uitwijzen of er verschillen zijn tussen leeftijdsgroepen, tussen mannen en vrouwen en tussen jongeren met veel of weinig digitale ervaring, en of er misschien sprake is van een Sierre-effect dat volgend jaar misschien al uitgewerkt is. Zowel het stijgend aantal klachten als de resultaten van het kleinschalige onderzoek, tonen de nood aan om gebruikers van sociale media verder bewust te maken van technieken om de online privacy te beschermen. Niet alleen tegen de typische online criminelen, maar ook tegen mogelijk misbruik door journalisten.

Figuur 3: Gepercipieerde overtredingen op Facebook en Twitter (N=322)